• Vogels tellen


    Door Ruth Koops van ’t Jagt

    Hij zou de kast in elkaar willen slaan. Met grote zwaaien de bijl opheffen en neer laten vallen op het kneuterige kersenhout. Zijn handen openhalen aan de splinters, de fonkelnieuwe spijkers er met zijn tanden uittrekken tot het zweet op zijn voorhoofd zou parelen en langzaam de tranen zou verdringen. Daar hadden verdomme haar studieboeken moeten staan, met ezelsoren, koffievlekken en in gele markeerstift de sporen van haar onnavolgbare ideeën over wat wel of niet belangrijk was.

    ‘Lekker belangrijk pap.’ Hij hoorde haar het nog zeggen, toen hij had uitgelegd dat je niet zomaar een Billy van de Ikea kon kopen. ‘Een boekenkast moet een ziel hebben meisje, het wordt immers de schatkist van je studietijd.’ Ze had hem fronsend aangekeken en had gelachen om zijn quasi-filosofische mijmering.

    Hij legde zijn stoppelwang tegen het koude geschuurde hout, zijn vingers om het handvat van de bijl geklemd. Voorzichtig streelde hij één van de planken. Hier hadden haar foto’s moeten staan. In fluorescerende, blije lijstjes had ze hier met haar vriendinnen in foute outfits en te dronken om recht de camera in te kijken zichzelf moeten toelachen, de wereld moeten toelachen met alles wat ze was.

    Nog steviger klemde hij zijn vingers om de bijl. Vanuit zijn buik voelde hij een diepblauw geluid opborrelen dat ergens tussen een grom en een snik inlag. Hij was sterk genoeg om hout te hakken voor bitterkoude winters, maar hij kon zich er niet toe zetten om met het scherpe blad iets kapot te maken dat voor haar had moeten zijn.

    Elke ontmoeting met een ander was een ontmoeting met iemand die er nog wel was en hij voelde zich ineens onvoorstelbaar oud. Misschien moest hij stoppen met scheren, misschien moest hij een kluizenaar worden zodat alleen hijzelf er nog was. Misschien kon hij hout hakken en kasten bouwen. Kasten voor haar. Kasten die hij zou vullen met alles wat de zee hem schonk.

    Toen ze nog een meisje was hadden ze samen de stranden van de Wadden afgestruind naar schatten. Ze waren samen piraten geweest en langs de vloedlijn hadden alleen zij bestaan. ‘Je kunt er ook wat schelpjes in leggen en die oude schoen die we toen op Schier hebben gevonden,’ had hij dan ook geopperd toen hij haar het bouwplan voor de kast liet zien. Ze had met haar wijsvinger het topje van zijn neus aangeraakt: ‘Dat is vroeger pap, jij zegt toch ook altijd dat ik in het nu moet leven?’

    ‘Rrrottum,’ hij proefde de klank van de onbewoonde eilanden, liet de ‘r’ over zijn tong rollen. Ze zochten een vogelwachter, dat wist hij, maar hij was altijd al iemand geweest die liever met gebogen hoofd door het leven ging. Zij was meer een luchtkijker geweest, wist hem te wijzen op wolkenbeesten en somde gelukzalig zeven tinten blauw op.

    Maar er zou niemand anders zijn. Hij zou alleen zijn op Oog, alleen met de vogels. Hij zou naar Simonszand en Zuiderduin kunnen schreeuwen en alleen de vogels zouden hem verwijtend aankijken. Hij zou door de branding waden en met elke stap verder weg gaan van de wereld, de wereld waarin zijn dochter er niet meer was en de jongen bij wie ze had geslapen nog wel. De wereld waarin een huis vlam kon vatten in de nacht en de slaap zo diep was dat je stikte.

    Hij besloot Brinta in te pakken, vouwde zeven onderbroeken op, voor elke dag van de week één. Hij knikte, Brinta was goed voedsel voor eenzame vogelwachters met een peilloos diep gat in hun onderbuik. Bovenop legde hij Heukels’ Flora, Petersons Vogelgids en twee verrekijkers. Hij was nu vastbesloten. Hij zou de broedvogels, de wadvogels en de dagvlinders tellen, hij zou zijn beide handen om het stuur van de tractor vouwen en hij zou veilig zijn. Nog steeds zou zij met al haar afwezigheid in tijgolven zeewater tegen hem aanspoelen, maar Rottum kon zijn hoogwatervluchtplaats zijn. Zachtjes telde hij alvast tot tien en vouwde toen de koffer dicht.

    ♦♦♦

    Ze zochten het liefste een duo, zag hij op de website van Staatsbosbeheer, personen die elkaar al geruime tijd kenden. Hij grinnikte. Hij geloofde niet dat ze erin zouden slagen twee vrienden te vinden die zich vrijwillig zo lang met elkaar op een onbewoond eiland zouden laten opsluiten. Hij wist in ieder geval zeker dat er niemand was die het met hem zou uithouden, zeker niet nu hij iemand was met een schuld.

    Je zag het aan hem, dat moest wel. In de spiegel zag hij zelf nog steeds dezelfde jongen, een behoorlijk knappe biologiestudent, met helderblauwe ogen en een hip ‘smart-but-sexy-baardje’. Maar misschien zag je het aan zijn schouders, misschien zagen zij wel de onzichtbare zware lucht die hem naar beneden duwde. Hij voelde zich een moderne, misdadige variant van Mozes, als de menigte op de vereniging uiteenweek als de Rode Zee.

    Hij was nooit vervolgd en al vrij snel was uit het onderzoek gebleken dat hem juridisch gezien geen blaam trof. Met een scherpgeslepen potlood had hij zelf in diagrammen alle scenario’s uitgetekend, had hij orde geschapen in de chaos in zijn hoofd. Maar er was geen uitkomst waarin ze het allebei hadden overleefd, het was hij of zij geweest, of niemand. En als bioloog wist hij als geen ander dat in een noodsituatie als deze het recht van de sterkste geldt. Hij ademde diep in, misschien moest hij het maar proberen: een zomerlang vogels tellen op Rottumeroog en -plaat.

    De vogels zouden zich niets aantrekken van dat wat er gebeurd was en de andere wachter zou niet kunnen splijten als een zee, hij was immers ook alleen.

    Misschien zou de zoute waddenlucht eindelijk de zwarte rookjas verdrijven, die hij sinds de brand om zich heen voelde als een ijzeren harnas. Hij had onder de douche gestaan tot zijn huid rood was van het hete water, huilend had hij vijf keer zijn haar gewassen maar het ging niet weg. Het ging niet weg.

    Ze was precies het meisje geweest dat op de foto’s van zijn oma van vroeger nog geen weet had van kinderen en kleinzonen. Dezelfde heldere ogen, een vastbesloten blik en een kuiltje in haar kin. Een meisje dat ’s avonds boterhammen met appelstroop voor hem smeerde, voordat ze hem met een kus op zijn wang welterusten wenste en zijn bed inkroop. Hij durfde niet bij haar te gaan liggen, en had zichzelf ineengevouwen op de bank.

    Nooit meer zou hij zichzelf zo ineen kunnen vouwen en de slaap verwelkomen als een oude vriend. Maar de wacht zou hij kunnen houden, hij zou waken over de eilanden en de vogels. Hij zou rechtop zitten in een stoel met een verrekijker om zijn hals en hij zou de vogels tellen. Eén voor één.

    ♦♦♦

    Hij zag de Zeekaap in de verte en leunde tegen de tube van de gepensioneerde reddingsboot, die nu dienstdeed als veerboot voor de uitverkoren vogelwachters. Hij voelde het motorbrommen van de Harder door zijn hele lichaam. Naast hem stond zijn oude leren koffer en hij duwde er even tegenaan met zijn linkerlaars. De andere vogelwachter was er al, hadden ze hem verteld. Het was de bedoeling geweest dat ze elkaar al eerder hadden ontmoet, want ze zouden veel samen moeten werken. Maar bedoelingen en hoe het uiteindelijk gaat, vallen vrijwel nooit samen, dat wist hij maar al te goed.

    Het was een jongen, een biologiestudent uit Groningen, enthousiast, met veel kennis van zaken en uitermate georganiseerd. Ze zouden elkaar ongetwijfeld liggen, had de boswachter gezegd tijdens het sollicitatiegesprek. ‘Als hij maar van Brinta houdt,’ had hijzelf gegrapt.

    De jongen die er niet in geslaagd was zijn dochter te redden was ook een biologiestudent, zo had de politie hem verteld. Of hij hem wilde ontmoeten? Dat zou goed zijn voor de verwerking. Hij wist nog dat hij woest zijn hoofd had geschud, ‘te vroeg’ had gegromd. De jongen moest vooral geen mens worden. Niet iemand die ook verdriet kon hebben, die je beet kon pakken, door elkaar kon schudden. Niet iemand die je kon vermoorden.

    Hij was er niet eens van geschrokken, van die gedachte. Hij kon hout hakken voor bitterkoude winters, hij was niet in staat om de kast in elkaar te slaan, maar hij kon ongetwijfeld iemand doden.

    Het ijzeren geraamte van de Zeekaap kwam dichterbij, op de stuifdijk stond een jongeman wild te zwaaien. Hij zwaaide terug, keek omhoog naar de zeemeeuw die al de hele overtocht met de Harder meevloog. Hij voelde hoe het peilloos diepe gat in zijn onderbuik langzaam volliep met een verlangen naar een vloedlijn waar alleen zij zouden bestaan.

    Op het allerlaatste moment had hij de tweede verrekijker toch uit de leren koffer gehaald, het scherp van de snede geslepen en de bijl onder de zeven onderbroeken gelegd.

    Hij ademde de zilte zeelucht in, keek naar het jonge, ongetwijfeld sterke lichaam van de biologiestudent. Terwijl de jongen de dijk afrende nam hij een besluit.

    Natuurlijk zou hij hout kunnen hakken en kasten bouwen, maar ook zou hij met grote zwaaien de bijl kunnen opheffen en laten vallen. Hij zou de kast in elkaar kunnen slaan.