• Wendy

    Big Bang

    Als ik ’s ochtends op mijn werk de deur naar buiten open, hoor ik ze al. Onder het genot van een kop koffie en een sigaret bespreken de schoonmakers de kantoorgewoontes van mijn collega’s. Namen kennen ze niet, maar dat is ook nergens voor nodig. Ze hebben The Big Bang Theory.

    ‘Die ene kerel op de tweede verdieping, die altijd zoveel papier weggooit? Nee, ik weet niet hoe die heet. Maar hij is lang en mager, weet je, net als Sheldon. Ook altijd shirt of trui aan met een print erop. En twee kantoren daarnaast zit net zo’n Indiër als Raj. Aardige man, die is er altijd heel vroeg. En hard werken! En allemaal borden met formules, ik snap er niks van.’

    Ik neem nog een slok koffie en frons. Ik dacht dat wat uit Hollywood kwam een overtrokken beeld schetste van de werkelijkheid. Maar ineens zie ik mezelf voor me. Hoe ik gisteren nog formules schreef op het whiteboard in mijn kantoor. Hoe ik pas koffie ga halen als er niemand in de buurt van de automaat is. Hoeveel uren ik kwijtraakte aan het spelen van online games.

    Overtrokken? Echt niet. The Big Bang Theory schetst verdorie écht het dagelijks leven van een bèta. Geen wonder dat de serie zo’n succes is.

    Het grootste deel van de kijkers, de non-bèta’s, herkent zo ongeveer ieder cliché dat er over bèta’s bestaat. Ietwat sociaal gehandicapte nerds, hulpeloos in de omgang met de andere sekse en een kinderlijk enthousiasme voor videospelletjes en Star Wars.

    Maar de echte bèta’s? Die kijken niet alleen voor de grappen, maar vooral omdat je zelfvertrouwen een boost krijgt. Als genie Sheldon een theorie uitlegt, dan geeft het elke keer weer een kick als je het verhaal daadwerkelijk begrijpt. Alsof je zelf een beetje hoogbegaafd bent.

    Er is alleen één ding dat ik niet helemaal begrijp. De acteurs die bètanerds spélen, kunnen na zeven seizoenen niet meer zonder bodyguards over straat, hebben miljoenen op de bank en een fanclub die hen overal volgt.

    En dat zie ik bij echte bèta’s nog niet gebeuren.

    Wendy Docters werkt als oio bij het Kernfysisch Versneller Instituut

    Foto Reyer Boxem