• 'Jij kunt misschien uitslapen professor, ik moet naar de UB'

    Een studente en een hoogleraar. Hoofdrolspelers in dit korte verhaal van Ruth Koops van 't Jagt. Als opwarmertje, voor de deelnemers van de schrijfwedstrijd van de UK. Vorig jaar was zij de winnaar. Wie weet, ben jij dat dit jaar. De deadline is donderdag, 30 januari.

    H

    aar rug is nog nat, dat moest wel. In zeven snelle bewegingen haalt ze de handdoek langs haar lichaam, om dan balancerend als een watervogel een slipje en een spijkerbroek aan te trekken. Hij woelt zijn armen onder het dekbed vandaan en tast naar zijn bril. Hij moet zien hoe de druppels langzaam langs haar jonge blote rug lopen. Het is te lang geleden dat hij kon zien hoe mooi onzorgvuldig afgedroogde meisjes zijn.

    Het is ongepast, dat weet hij. Het is ongepast dat hij uit hetzelfde pak sinaasappelsap drinkt als Suze. Het is ongepast dat ze hem kust terwijl ze haar mond nog vol heeft met soja-yoghurt. ‘Een gezonde geest in een gezond lichaam,’ had ze gezegd terwijl ze de inhoud van haar Albert Heijn-tas uitstalde op zijn keukentafel. Het is ongepast dat hij grote wijde truien voor haar wil kopen zodat alleen hij weet wat daaronder zit.

    Ze was één van de weinige studentes geweest die wist wat eruditie was en ze had enthousiast geknikt toen hij bepleitte dat je in de wetenschap alleen de top kunt bereiken als je je specialiseert. Dat er zoveel te weten is dat je nooit een succesvol generalist kunt zijn. Dat een brede belangstelling focus in de weg staat, zodat je uiteindelijk niets weet over alles.

    Ze draait haar natte haren met één hand in een knot op haar hoofd en kust dan de witte yoghurtsnor van zijn bovenlip. ‘Jij kunt misschien uitslapen professor, ik moet naar de UB. Vanavond leer ik je hoe je kebab moet eten. Mét knoeien.’

    Vanuit zijn bed ziet hij hoe ze bukt om de smoezelige veters van haar gympen te strikken. Uit haar halfopen rugzak glijdt een stapel papieren. Hij wil haar erop wijzen, maar voor hij het weet laat ze hem met een slaande deur achter. Haar natte voetstappen nog op zijn houten vloer, soja-yoghurt in zijn mondhoeken, en een slinger van papier. ‘Alles weten over niets. De ontmaskering van de specialist op basis van het tot nu toe onbekende edictus studens universalis.’ Hij leest het nog een keer. En nog een keer. Balt z’n vuisten en rilt. Dit kan niet. Dit mag niet. In sneltreinvaart ziet hij alle scènes die hij met Suze beleefd heeft voorbijtrekken. Maar de kleur is weg. Hij gromt, schudt zijn hoofd. Hij moet achter haar aan. Hij moet achter haar aan.

    Met moeite had ze zich los kunnen maken van zijn warme lijf, maar vandaag was belangrijk. Vandaag zou ze zijn wijsheid over de historisch-filosofische fundamenten van het belang van specialisatie in universitair onderwijs onbarmhartig onderuit halen. Ze zou stevig schudden aan een gepassioneerd pleidooi dat door velen als onbetwistbaar werd beschouwd.

    ‘Ik val op wijsheid,’ had ze gezegd toen ze na de borrel na het laatste college, waarbij de drank hard bleek te vallen zonder bodem, toevallig dezelfde kant op moest. Hem wees hoe de treurwilgen in het Noorderplantsoen buigen voor een onzichtbaar publiek en hem toen onvoorstelbaar lang kuste.

    Ze had nog nooit iemand zo gekust. Ze had nog nooit zoveel vragen gehad waarvan ze het niet erg vond om geen antwoord te krijgen. Ze had nog nooit met zoveel liefde uit hetzelfde pak gedronken. Maar toen was alles veranderd.

     

    I

    n een band van een dik traktaat dat ze per ongeluk op haar tenen had laten vallen tijdens het bezoek aan de kluis met kostbare werken had ze het vergeelde papier gevonden. Ze had er eerst nog grapjes over gemaakt. Pas later vielen de Latijnse woorden patsboem op hun plek. In dit edict, dat net als de Stichtingsakte van de Rijksuniversiteit Groningen gedrukt leek te zijn door Johannes Sassius, pleitten de auteurs voor een brede opleiding van studenten: ‘Wil het de studenten goed gaan, moeten zij zijn uitgerust met een geleerdheid die zich uitstrekt over de filosofie, de rechtsgeleerdheid, de fysica, de letteren, de geneeskunde en de wiskunde. Alleen dan zullen zij wijs, deugdzaam en standvastig in de burgerlijke maatschappij hun weg vinden.’

    Al zijn gloedvolle betogen over het belang van wetenschappelijke specialisatie kwamen hiermee op losse schroeven te staan. Dit zou een heel ander licht werpen op de Spinozapremie die hij onlangs had gewonnen. De hyperintelligente superspecialist zou van zijn smalle kennisvoetstuk vallen. Hard vallen.

    Vandaag zou ze stiekem het document fotograferen. Dan zou haar opzienbarende stuk compleet zijn en zou ze de universitaire wereld opschudden als een dekbed tijdens een voorjaarsschoonmaak. Ze zou moeten wachten tot sluitingstijd voor ze stiekem de kluis van de UB zou binnengaan. Ze wilde niet dat iemand wist wat ze van plan was.

    Ze schoof haar fiets tussen de andere fietsen, zwaaide haar rugzak op haar rug, zuchtte diep en liep naar binnen. Vandaag was belangrijk.

     

    N

    adat de portier zijn laatste ronde heeft gedaan ziet de professor Suze uit het toilet komen, waarna ze doelbewust de Zaal Bijzondere Werken binnengaat. Hij weet niet hoe ze het flikt, maar met het gemak van een beroepsinbreker forceert ze de deur, om eenmaal binnen met vaste hand de code van de kluis in te toetsen. Even nog had hij gehoopt dat ze zo van zijn wijsheid zou houden dat ze die nooit aan het wankelen zou durven brengen. Maar die hoop wordt nu meedogenloos kapotgestampt. Hij wacht tot ze binnen is, telt tot tien en loopt langzaam naar het paneel naast de kluis.

    Langzaam maar beslist brengt hij zijn wijsvinger naar de rechter rode knop: ‘Nacht / vacantie’. Hij drukt de knop in. De cijfers die het zuurstofniveau in de kluis aangeven beginnen te verspringen. Hij concentreert zich op de digitale cijfers: 18.7 %, 16%, 14.5%… Wanneer de concentratie zuurstof minder dan 10 vol.-% is, treedt zonder voorsymptomen bewusteloosheid op, zo weet hij. Al snel zal ook hersenletsel het gevolg zijn en kan binnen enkele minuten de dood intreden, tenzij er direct reanimatie plaatsvindt.

    Hij zal haar missen. Haar natte voetstappen op zijn vloer, haar blote rug en haar soja-yoghurt op zijn bovenlip. Stevig klemt hij het bronzen Spinozabeeldje vast. Nooit zou hij weten hoe je kebab moet eten maar hij wist tenminste steeds meer over minder. Hij kon deskundig blijven dansen op de smalle toppen van zijn weten…